Afslag Dokkum

Afslag Dokkum

31 oktober 2013 door Benjamin
Deel deze pagina

Inmiddels woon ik meer dan vijf jaar als student in Groningen en in die vijf jaar ben ik ontelbare keren naar mijn geboortestad Dokkum gereisd, vaak om mijn vader en/of moeder op te zoeken. Een aantal keer pakte ik de fiets – ik houd van wielrennen –, nog vaker ging ik met het openbaar vervoer en af en toe met de auto. Vandaag besloot ik om, voor het eerst, de 51 kilometer te gaan lopen. 

Om vijf uur precies kus ik mijn vrouw gedag en zet ik koers richting het Friese land. Langs de Hereweg waar nog niemand de noodzaak voelt om enige activiteit te tonen. Over de Paterswoldseweg waar ik de eerste werknemers naar tabaksfabriek Niemeyer zie lopen, arme jongens hoor ik mezelf denken. Elke dag hetzelfde, ik wist toen nog niet hoe ik me even later zou voelen. Ik was vroeg vertrokken om zonsopkomst buiten de stad mee te maken.

Ik wilde het altijd nog eens doen: tegen niemand iets zeggen en dan gewoon naar huis lopen, genieten van het prachtige vlakke land en om een keertje volledig de haast achter me te laten. Dat laatste lukt niet helemaal. Door middel van het programma Strava kan ik elk uur precies zien hoe ‘snel’ ik loop. Het resulteert in een gehaast loopje met af een toe een stukje joggen. 6:01 uur, zes komma acht kilometer gelopen, dat gaat lekker. Ik stel mezelf als doel om minimaal zes kilometer per uur te lopen vandaag en ondertussen zie ik meer dan ik ooit zag op dit traject.

Ik ontdek dat Niezijl het Blik, Trommel en Oudheden Museum huisvest, dat iedereen je toch wel gek aankijkt als je in een trainingspakkie over een fietspad loopt waar verder niets is. Het kan me allemaal weinig deren. Ik loop en dat was mijn grootste zorg. Want het gaat langzaam, tergend langzaam. Elk dorpje lijkt mijlenver verwijderd en de pijn in mijn benen en voeten neemt elke stap een beetje toe. Mijn sportschoenen zijn daarnaast misschien toch niet ideaal voor dit soort ondernemingen.

11:24 uur – Ik ben bijna zes-en-een-half uur onderweg, en inmiddels heb ik een marathon gelopen. Ik kan er niet heel blij mee zijn want alles doet pijn en ik schat nog zo’n tien kilometer te moeten lopen. Tanden op elkaar en doorgaan. Dan komt er een fietser voorbij, de wind staat hard tegen en de man komt nauwelijks vooruit. Het geeft me hoop op de een of andere manier. 

Een ruim uur later loop ik met een opgeschoond hoofd en onder het gejoel van duizenden mensen - die heb ik er maar even bij gedacht in mijn hoofd - tussen de bordjes ‘Dokkum’ door – nog twee kilometer tot het huis van mijn moeder. Bij elk huis dat ik zie baal ik dat mijn moeder er niet woont. Ik zet een dribbelpasje in want lopen doet meer pijn dan joggen. De hoek om, nog 100 meter. Nu pas voel ik dat ik het ga redden. Ik loop de stoep op en bel aan. 

Mijn moeder doet open: “ben je komen lopen?”, zegt ze in de veronderstelling dat dat sowieso niet het geval kan zijn. “Ja”, zeg ik. Mams zet grotere ogen op dan ik ooit bij haar zag. Ik plof neer en doe na een kwartier mijn schoenen uit. Mijn benen voelen wiebelig en als ik mijn schoenen uitdoe zie ik negen prachtige blaren. Lopen lukt die dag niet meer, maar het was het meer dan waard.