Nooit meer naar Baflo

31 oktober 2014 door Benjamin
Deel deze pagina

Ik sla een dikke winterjas om mijn bovenlijf, doe wat krentenbollen in mijn linker- en een blik bier in mijn rechterzak en pak voor de zekerheid ook maar mijn zakmes. Het is half zeven in de avond en mijn hartslag is hoger dan normaal rond deze tijd. Niet veel eerder heb ik te horen gekregen dat ik mee mag op excursie naar Baflo – een verlaten oord boven Groningen.

Een halfjaar geleden heb ik me ingeschreven voor de expeditie en nu is het eindelijk zover. Ik wist al die maanden niet wanneer het zou gaan gebeuren. Pas een uur voor vertrek kwam het telefoontje. "De wind staat goed, de luchtvochtigheid is perfect en ze weten dat we komen en geen bedreiging vormen voor hun leefomgeving", zo had het aan de telefoon geklonken.

Op het hoofdstation van Groningen staan vier gretige avonturiers op me te wachten. Claudia, Jan, Judith en Harm stellen zich aan me voor. Harm is excursieleider en begeleid ons naar de trein – een setje van twee verroeste, piepende en krakende wagons. Als we onderweg zijn begint Harm met zijn uitleg.

"Let op, je komt straks in een totaal andere wereld. De inheemse bevolking spreekt een andere taal, ze hebben vreemde kapsels en schrik vooral niet van de sterke lichaamsgeur. Als je straks voor het eerst een Bafloër ziet, kijk hem of haar dan niet te lang aan. Dat zijn ze niet gewend."

Eenmaal in het gehucht lopen we zelfverzekerd van het perron – niet meer dan een hoopje klei – richting de plaatselijke kroeg. Harm bereid het personeel voor op onze komst. Het blijkt nodig ook, want de aanwezigen lijken nog meer op te kijken van ons, dan wij van hun. De barvrouw vermant zich en schenkt ons bier.

Het pils uit Bavvelt glijdt erin als water. Heel voorzichtig geraakt iedereen licht onder invloed en de eerste toenaderingspogingen naar de inheemse bevolking worden uitgevoerd. Claudia groet, ietwat overenthousiast, een nietsvermoedende man die binnenloopt. "Hallo meneer!". De man kijkt verschrikt op en haast zich naar de bar.

Aan de bar klinkt wat geroezemoes. Er wordt gewezen naar onze groep. Uit het betrekkelijke niets wordt Harm aan zijn jasje getrokken door een blonde, ietwat slungelige jongeman. "Jullie kunnen beter gaan, ze trekken het niet", vanaf de bar kijken vier ogen met dodende blikken onze kant op.

De blonde jongen leidt ons naar de nooduitgang en in gestrekte draf begeven we ons naar het station. De trein laat niet lang op zich wachten en eenmaal terug in Groningen omhelzen we elkaar innig. Een afzakkertje in de Pintelier hebben we wel verdiend. Baflo blijkt een onneembare horde.