Van held tot schlemiel

12 november 2013 door Benjamin
Deel deze pagina

Het is vrijdagavond en eindelijk is het zover: over een paar uur terug naar Nederland. De hele week heb ik lopen zeuren bij mijn familie, uiteindelijk kreeg ik het voor elkaar om het hele zootje in de auto te krijgen om vijf uur in de ochtend. Ik ben zenuwachtig, mijn hart maakt af en toe een sprongetje. Die middag zal het moment aanbreken waar ik al de hele wintersport op wacht - de clash tussen mijn veertiende en het vijftiende elftal van The Knickerbockers.

Fustwedstrijden

Een wedstrijd tussen twee teams van The Knickerbockers is altijd bijzonder, de ontmoetingen tussen het veertiende en vijftiende zijn in dat kader van de buitencategorie. Onderling kennen de mannen elkaar goed en ondanks dat er gezonde rivaliteit heerst, wordt er na een paar pils arm in arm en lallend een lied meegezongen van huisartiest Willy Bomba. In de regel dient de verliezende partij een fust aan te bieden, de praktijk leert dat het winnende team zich daarna niet te lullig voelt om dat ook te doen.

Terug naar die ene zaterdagmiddag. Om vier uur word ik, na een lange terugreis uit Zwitserland, afgezet bij het station in Leeuwarden om met de trein verder naar Groningen te reizen. Daar aangekomen haast ik me naar mijn kamer, gris mijn voetbalspullen bij elkaar en bel een taxi. Iets over vijf rol ik de taxi uit en strompel het hoofdveld op. Men vindt het nog niet nodig om mij in te brengen in de eerste helft – ik kan ze niet ongelijk geven, goed voetballen kan ik namelijk niet.

De winnende

In de tweede helft maak ik mijn opwachting, het staat dan 1-0 in ons voordeel. Maar we staan onder druk. Dan komt er een lange bal, uit het niets zijn Peter, ik en Klaas los met alleen de keeper nog voor ons. Peter neemt de doelman onder vuur, de bal blijft liggen en komt voor mijn voeten. Ik bedenk me geen moment en schiet de bal onberispelijk tegen de touwen. Ik barst in juichen uit en als ik omkijk zie ik het halve team op me afstormen. Ik word bedolven onder een berg geluk.

We winnen de wedstrijd uiteindelijk met 2-1 en ik voel me de gevierde man. Onder de douche maken we plezier door shampoo op de vloer te deponeren en dan op de billen van de ene naar de andere kant te glijden. We drinken, maken plezier en schreeuwen bekende nummers mee tot een uur of twaalf. Ik ben gelukkig, ik heb gescoord en voel me de held van de avond.

Dan besluiten Peter en ik naar de stad te gaan om onze feeststemming te gaan delen met uitgaand Groningen. Ik voel me nog altijd euforisch. Peter raak ik al snel kwijt. Daarnaast is het uitgaansleven nog niet helemaal op gang gekomen. Het bier in mijn lijf begint de regie langzaam over te nemen en het stukje bewustzijn dat nog voel zegt me dat ik op een randje balanceer.

Een stap te ver

Stoïcijns zet ik door en loop ik feestcafé Het Feest binnen. Dat café is erg lang en donker. Ik besluit helemaal naar achteren te lopen alwaar drie meisjes aan de bar zitten te wachten op mijn aanwezigheid, dat weet ik zeker. Vastberaden een succesvol praatje aan te knopen loop ik op ze af - met ferme, en zo normaal mogelijke passen.

Dan neem ik één laatste pas en ineens voel ik de grond onder mijn voeten verdwijnen, niet rekening houdend met het afstapje vlak voor de bar ga ik plat, voorover op mijn gezicht. De drie meisjes, die mijn aanwezigheid daarvoor nog niet hadden waargenomen, kijken verschrikt op. Eentje begint te giechelen, de ander ook, de derde vindt het zielig. Ik zie een uitweg naar het toilet. Nog drie stappen en dan ben ik er. Halverwege struikel ik nog een keer en dan komt mijn bewustzijn ineens volledig terug. Ik had in de kantine moeten blijven, ik heb mijn hand overspeeld. Van held tot schlemiel in een avond.