Hans Wasmachien

Hans Wasmachien

31 maart 2014 door Beppie
Deel deze pagina

“Zwart bij zwart, wit bij wit, bont bij bont. Handdoeken en ondergoed op 40 graden. Mag ook op 60 eventueel. Beddengoed op 60 graden en schoonmaakdoekjes, doe die maar in de kookwas.” Een greep uit de wijze woorden die mijn moeder sprak de dag dat ik het huis uit ging. Beteuterd hoorde ik de woorden aan, omdat mijn dagdroom over volle wastassen mee naar huis nemen in rook op ging. Wat moet dat een hemelse dag geweest zijn voor mijn moedertje. Als fanatiek voetballer had ik namelijk een groot aandeel in de overvolle wasmand bij ons thuis. Nu ik op eigen benen ging staan, moest ik ook mijn eigen wasjes draaien. Begrijpelijk natuurlijk.

Vijf jaar later en heel wat verkleurde, tot kabouterformaat geminimaliseerde en weggewaaide  kledingstukken verder, ben ik uiteraard een fervent wasser geworden. Maar als ervaren wasser loop je natuurlijk nog steeds tegen een aantal vervelende huishoudelijke waszaken aan. Zo zal het mysterie van de verdwenen sokken mij altijd blijven intrigeren. Wasmachines zijn de vergevorderde versie van Hans Klok. Hans Wasmachine. Je stopt twee sokken in de machine, laat de boel een poosje draaien en tadaa: er komt één sok uit. En waar de andere is, mag Joost weten. Of Pamela in dit geval. Mijn fantasie gaat over een geheime gang waar alle sokken worden opgeslagen. Maar om mijn geloofwaardigheid te behouden, zal ik daar niet verder over uitweiden.

Ook kom je in het leven van een ervaren wasser zoals ik, veel soorten vlekken tegen. Mijn eerste les die ik leerde toen ik net op kamers woonde was: bier vlekt niet. En dat is superfijn. Er zijn namelijk nogal eens wat mensen die er graag mee gooien in kroegen. Rode wijn is een ander verhaal natuurlijk. Een kilootje zout en het is er gegarandeerd uit. Of zoals mijn moeder het zegt: “ossengal”. Inderdaad, ossengal. Of Biotex. Maar voor de vergevorderde vlekken bel ik toch stiekem altijd mijn moeder nog. En neem ik in het weekend toch een klein wasje met was mee, waar vlekken in zitten die ik er écht niet uitkrijg. Dat mag soms best.

Toch ben ik altijd weer trots als de was op z’n rekje hangt, wapperend en in de lentezon. En dat mag best even gezegd worden. 

Dat was het.