Hokjes jagen

Hokjes jagen

15 mei 2016 door Lucia
Deel deze pagina

Om half negen ’s ochtends race ik door de uitgestorven straten van Groningen. In de rest van Nederland is het spits, maar studerend Groningen slaapt nog heel diep. Alle stoplichten springen op groen en ik schiet richting mijn einddoel. Plotseling haalt een meisje met een rugzak mij in. Shit, concurrentie.

Ik was op weg naar de Centrale Medische Bibliotheek (CMB). Veel mensen verkiezen deze bieb boven bijvoorbeeld de UB omdat er alleen medische studenten – super geweldige mensen – zitten, de koffie gratis is voor iedereen met een UMCG-pasje en alle mensen die iemand kennen met een UMCG-pasje en omdat er geluidsdichte hokjes zijn. De hokjes zijn bedoeld voor de autistische mensen onder ons die hypersensitief zijn voor ophalende neuzen, kauwgom kauwende kaken en dichtslaande deuren, zoals ondergetekende. In zo’n hokje staat een bureau met een computer en er past precies één student in. Om zo’n hokje te veroveren geldt wel het ‘wieheteerstkomtwieheteerstmaalt-principe’, waardoor studenten ineens wel in staat zijn om om half negen in het UMCG te staan.

Hoe dichter je bij de CMB komt, hoe meer snelwandelende studenten je ziet. Rennen gaat net te ver, maar je wilt ook niet in het holst van de nacht op zijn gestaan om het laatste hokje voor je neus ingenomen te zien worden. Dus snelwandelen de studenten gestaag richting CMB met een lichtelijk gestreste gezichtsuitdrukking. Dan volgt het trap-liftdilemma. De CMB bevindt zich namelijk op de vierde verdieping. Als de lift toevallig al op de begane grond staat, is het natuurlijk geen dilemma meer. Maar in mijn leven staan liften zelden al klaar. Meestal bevinden zij zich meestal in een uithoek van het gebouw en zullen onderweg nog even op elke verdieping stoppen. Het irritantste aan liften is dat jij er altijd als eerste bent en in de tijd dat de lift op z’n dooie gemakje jouw kant op glijdt, komen alle studenten die jij had ingehaald met je snelwandeltocht er ook weer bij staan. En wie als eerst de lift in gaat, kan er pas weer als laatste uit. Daar gaat je voorsprong. Lopen kan dus sneller zijn, mocht je daar zin in hebben om half negen ’s ochtends. Ik pas.

Het meest ongemakkelijke is nog als je een bekende tegen komt. Op de fiets blijkt dit dan iemand te zijn van je sportclub en je roept, terwijl hij je inhaalt, ‘He! Ook op weg naar de CMB?’. Hij zal je verschrikt aankijken, ruw verstoord in zijn wieleretappe. Maar toch zal hij dan af moeten remmen en even met je kletsen. ‘Racen? Nee, zo fiets ik altijd. Er zal vast nog wel een hokje over zijn hoor. Maak ik me totaal geen zorgen om.’

Maar als je dan een hokje geclaimd hebt, is dat wel echt een overwinning. Zo’n grote overwinning dat ik minstens een half uur de tijd neem om alles uit te pakken en naar m’n Facebook wall te staren. De rest van de dag kan je ongegeneerd de meest krakende koekjes naar binnen werken met je voeten op tafel en af en toe een serietje kijken. Niemand die het ziet.